Uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 29 juni 2011 (LJN BQ9793):
"Een besloten vennootschap i.o. kan niet gelden als een entiteit die naar strafrechtelijke maatstaven (op de voet van (art. 51 Sr) het ten laste gelegde feit heeft begaan. Evenmin is gebleken dat deze B.V. i.o. op grond van artikel 51 lid 3 Sr. met een rechtspersoon gelijk is te stellen.
Inleiding
Verdachte had samen met zijn broers een bedrijf waar hij illegalen uit India liet werken. De fabriek was continue in bedrijf en de illegalen werkten in twee ploegen. De betaling was ver onder het wettelijk minimumloon en de werkomstandigheden waren zwaar met lange werkdagen. Verdachte wordt mensenhandel, mensensmokkel, deelname aan een criminele organisatie en feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging gepleegd door de BV i.o. ten laste gelegd. Verdachte wordt door het hof veroordeeld voor alle feiten met uitzondering van het leiding geven aan een criminele organisatie.
Leidinggeven aan criminele organisatie
Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis spreekt het hof verdachte hiervan vrij omdat een BV i.o. niet kan gelden als een entiteit waarop artikel 51 Sr ziet. Evenmin is een BV i.o. gelijk te stellen met een rechtspersoon.
Naar civielrechtelijke maatstaven heeft een B.V. i.o. als zodanig geen rechtpersoonlijkheid, geen rechtssubjectiviteit en geen procesbevoegdheid. Noodzaak om, uit het oogpunt van 'maatschappelijke realiteit', de strafrechtelijke aansprakelijkheid van art. 51 Sr zodanig extensief te interpreteren dat de B.V. i.o. daar ook onder valt is er niet omdat het mogelijk is de oprichter(s) zelf als (mede)pleger(s), dan wel het samenwerkingsverband dat zij in de oprichtingsfase uitmaken (veelal in de vorm van een vennootschap onder firma) aan te spreken.
Het hof is van oordeel dat de besloten vennootschap i.o. niet kan gelden als de entiteit die naar strafrechtelijke maatstaven (op de voet van art. 51 Sr.) het ten laste gelegde feit heeft begaan. Evenmin is gebleken dat deze B.V. i.o. op grond van artikel 51 lid 3 Sr. met een rechtspersoon gelijk is te stellen. Hieruit volgt dat de verdachte van het feitelijk leidinggeven aan het door BV i.o. gepleegde delict moet worden vrijgesproken."
Bron: Sdu