De kantonrechter in Almelo heeft onlangs geoordeeld dat een docent, die meer dan drie tijdelijke contracten had en langer dan 36 maanden in dienst was van een onderwijsinstelling, toch geen vast dienstverband had.
De werknemer trad op 1 augustus 2007 in dienst als docent wiskunde voor de duur van één jaar. Vervolgens werd het arbeidscontract in 2008, 2009 en in 2010 verlengd. Daarna viel de werknemer op 12 oktober 2010 uit wegens ziekte. De onderwijsinstelling deelde hem in april 2011 mede dat zijn arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2011 van rechtswege zou aflopen. De werknemer was het hier niet mee eens en stelde dat hij op grond van de wet een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd.
Hoofdregel: vierde arbeidscontract is automatisch voor onbepaalde tijd
In artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek is namelijk geregeld dat een dienstverband voor onbepaalde tijd ontstaat, als het dienstverband een periode van 36 maanden overschrijdt of als er meer dan drie overeenkomsten voor bepaalde tijd zijn aangegaan.
De kantonrechter oordeelde echter dat artikel 33, vierde lid, van de Wet op het Voortgezet Onderwijs voornoemd artikel doorbreekt op grond waarvan er geen dienstverband voor onbepaalde tijd is ontstaan. In artikel 33, vierde lid, van de Wet op het Voortgezet Onderwijs staat kort gezegd dat een werknemer ten hoogste twee jaar werkzaamheden mag uitoefenen als leraar als hij niet aan de bekwaamheidseisen voldoet.
De onderwijsinstelling zal de werknemer er dan wel op moeten wijzen dat hij binnen twee jaar alsnog aan de bekwaamheidseisen dient te voldoen. Verder kan de onderwijsinstelling de termijn van twee jaar verlengen met twee jaar ten behoeve van de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school.
Bron: Ontslag